Geef het lijden een gezicht
In het debat over dekolonisatie en herininneringscultuur staan twee benaderingen lijnrecht tegenover elkaar. Verwijderen tegenover bewaren, vergeten tegenover contextualiseren. Beide posities hebben hun eigen problemen. Daarom stel ik een nieuwe benadering voor, een additieve herinneringscultuur, die deze ‘cultural war’ hopelijk enigszins overstijgt.
Het ‘activistische’ kamp wil een einde maken aan de verheerlijking van historisch moreel onrecht, waarin ze de wortels voor hedendaagse discriminatie en racisme ontwaren. Daarom pleiten ze voor het verwijderen van koloniale standbeelden en symbolen uit de publieke ruimte.
De activistische benadering riskeert samen met de koloniale symbolen de geschiedenis van haar eigen lijden uit te wissen en deze te verbannen uit de publieke ruimte. De herinnering aan de kolonisatie en haar bombastische beschavingsretoriek is met andere woorden essentieel in het erkennen van het historische lijden en aan het voorkomen van nieuwe vormen ervan. De activistische publieke ruimte is moreel Kantiaans proper, maar lijdt onder historische amnesie.
Tegenover de activistische, staat een ‘conservatieve’, Burkiaanse benadering. De conservatieven bekijken de beschadigingen in de publieke ruimte met afgrijzen. Zoals Joren Vermeersch het in De Standaard verwoordt: ‘In hun razernij om goed te doen, slaan zij stuk wat mooi is’. Het conservatieve kamp staat een behoud van de koloniale symbolen voor. Ze wijzen onder andere op het belang van context voor het beoordelen van historische daden. (Vreemd genoeg maakt dit deze conservatieven tot waardenrelativisten).
De conservatieve benadering vergeet dat de hedendaagse publieke ruimte niet alleen aan verleden generaties toebehoort, maar ook aan deze generatie. Deze generatie is — tot spijt van wie het benijdt — pluralistisch en de openbare ruimte zou dat moeten reflecteren. De opwerping dat de standbeelden gecontextualiseerd kunnen worden is niet overtuigend. Binnen 5 jaar vergeelde pancartes die geen hond leest, wegen niet op tegenover de zichtbaarheid van de glorieuze standbeelden die ze becommentariëren.
Daarom stel ik voor om de zichtbaarheid van het koloniale imperialisme te overdonderen door de zichtbaarheid van het koloniale lijden. De gevolgen, de horror en het lijden van het kolonialisme moeten zichtbaar gemaakt worden naast en boven de verheerlijkende koloniale herinneringscultuur. Een additieve herinneringscultuur, waarbij wordt toegevoegd aan de openbare ruimte, in plaats van verwijderd of louter bewaard, kan de tegenstelling tussen beide kampen opheffen.
Een voorbeeld van deze additieve herinneringscultuur is bijvoorbeeld het Shoah monument in Berlijn. In het centrum van Berlijn, op een boogscheut van de Branderburger Tor, herdenkt het monument het lijden van de onder het Nazisme vermoorde Joden.
Wat zou dat concreet kunnen betekenen voor België? In plaats van standbeelden te verwijderen zouden er net symbolen aan de openbare ruimte kunnen toegevoegd worden. Geef jonge diaspora en Congolese artiesten de kans om standbeelden op te richten naast de koloniale standbeelden en symbolen. Geef bijvoorbeeld het plein onder de boog in Jubelpark — gebouwd met opbrengsten uit Congo — over aan deze artiesten om in het hart van België uitdrukking te geven aan hun lijden, en aan hun waardigheid.